Onderzoekers uit Taiwan onder leiding van Min-Hsiang Chuang hebben in een recente publicatie in BMC Medicine de gevolgen van een doorgemaakte COVID-19-infectie op de ontwikkeling van obstructieve luchtwegaandoeningen onderzocht. Deze studie, een multicentrische retrospectieve cohortstudie, richt zich specifiek op het risico op nieuwe gevallen van astma en bronchiëctasieën onder gevaccineerde individuen na COVID-19. Ondanks dat de acute mortaliteit door COVID-19 relatief laag bleef (0,9%), wijzen de bevindingen op langdurige gezondheidsrisico’s, met name in de luchtwegen.
Veel personen die COVID-19 hebben doorgemaakt, ervaren na herstel veranderingen in hun luchtwegen, waaronder fibrotische afwijkingen en toegenomen bronchiëctasieën, zowel op korte termijn (1 tot 6 maanden) als op lange termijn (12 tot 24 maanden). Deze observaties zijn bijzonder significant bij patiënten die aanvankelijk een ernstige infectie doormaakten. Naast het vaststellen van luchtwegveranderingen blijkt er echter nog beperkt inzicht te zijn in het daadwerkelijke risico op het ontwikkelen van obstructieve luchtwegaandoeningen zoals astma en chronische bronchopneumopathie na een COVID-19-infectie.
Om een nauwkeurige vergelijking mogelijk te maken, werden in deze studie twee gevaccineerde populaties zonder eerdere diagnose van astma, COPD of bronchiëctasieën onderzocht. De eerste groep van 274.820 personen had COVID-19 doorgemaakt, terwijl de tweede groep, bestaande uit 2.214.332 personen, niet was besmet. Met een propensity score matching (PSM) werden 34 variabelen in evenwicht gebracht, zoals demografie en comorbiditeiten, wat een vergelijkbare basis creëerde voor het onderzoeken van verschillen in nieuwe diagnoses van luchtwegaandoeningen.
Onder de COVID-19-groep was een hogere prevalentie van comorbiditeiten en antecedenten van roken aanwezig. Daarnaast hadden relatief veel personen uit deze groep in het jaar voor deelname aan het onderzoek systemische glucocorticoïden, histaminica, bètablokkers, aspirine of NSAID’s gebruikt. Dit maakt de aanwezigheid van deze comorbiditeiten en voorgeschreven medicatie belangrijke aandachtspunten voor toekomstige studies.
In vergelijking met de controlegroep bleek de COVID-19-groep een verhoogd risico te hebben op het ontwikkelen van astma (aangepaste hazard ratio van 1,2; 95%-betrouwbaarheidsinterval: 1,22-1,33; p < 0,001) en op bronchiëctasieën (aangepaste hazard ratio van 1,30; 95%-betrouwbaarheidsinterval: 1,13-1,50; p < 0,001). Beide resultaten benadrukken de kwetsbaarheid van de luchtwegen na een COVID-19-infectie. Voor COPD werd echter geen significant verschil tussen beide groepen gevonden.
Langetermijnobservatie van COVID-19-herstellenden toont de noodzaak van multidisciplinaire en aanhoudende zorg. Betere inzicht in de pathofysiologische mechanismen achter deze luchtwegaandoeningen zou toekomstige behandelingen kunnen verbeteren en verdere complicaties kunnen voorkomen.